Please update your Flash Player to view content.
British Columbia, Canada 2007
BRITISH COLUMBIA & VANCOUVER, een olympisch plantengebied
18 juli - 13 augustus 2007

In de zomer van 2007 ben ik met mijn gezin 4 weken door British Columbia getrokken met een huurwagen en twee tentjes. Dit vraagt een aangepast gedrag daar in de gehele regio zowel grizzlie als zwarte beren voorkomen. Als je op stap gaat is het beter van steeds compact in groep samen te blijven, zeker met 3 kinderen in het gezelschap en kleding met felle kleuren aan te trekken. Steeds een beetje lawaai maken kan ook geen kwaad. Beren zijn meestal schuw en vermijden contact met mensen, maar kunnen kwaad worden als je ze laat verschieten. Ook dient men bij de opslag van voedsel of slapen in tenten de nodige voorzorgen te treffen. Verder is British Columbia een fantastisch kampeergebied met vele prachtige, ongeschonden bossen. We gaan bij deze trip vanuit de Rocky mountains op weg naar de Pacific Ocean nabij Vancouver. De Rocky Mountains, waar zich meerdere nationale parken bevinden zoals Jasper en Banff worden in de zomer overrompelt door toeristen in campers. Banff krijgt meer dan 4 miljoen bezoekers per jaar te verwerken. Naast deze nationale parken zijn er echter ook nog vele provinciale natuurparken. Deze zijn even mooi, maar veel rustiger.

Ik ga niet voor elk gebied alle soorten bespreken die er voorkomen maar er steeds de meest markante- en specifieke soorten voor die regio of biotoop uit halen. De Rocky Mountains zijn relatief soorten arm. Er zijn drie loofhoutsoorten die van de oost- tot de westkust van Canada voorkomen en die we hier in deze immense wouden ook aantreffen : Betula papyrifera, Populus balsamifera en Populus tremuloides. Hier domineren echter enkele coniferen soorten die in zeer grote homogene beplantingen vormen. Abies lasiocarpa, subalpine fir hoger in de bergen, Picea engelmannii, engelmann spruce voornamelijk zuidelijk, Picea glauca, white spruce en Picea mariana, black spruce voornamelijk meer noordelijk.





Bij de dennen is Pinus contorta var latifolia, lodgepole pine massaal aanwezig. Soms in zeer dichte bossen, tot 100.000 jonge planten per ha. Deze hebben ook nog eens allemaal de zelfde ouderdom. Dit zijn bossen die zijn onstaan na een bosbrand.
Lodgepole pijn is gemakkelijk te herkennen daar het de enige twee-naaldige den in de regio is. Bij een wandeling naar Mount Edith Cavell, nabij Jasper, zijn wij ook Pinus albicaulis tegen gekomen. Deze vijf-naaldige den heeft zwarte dennenappels met zeer voedzame, uitzonderlijk dikke zaden. Er is hierdoor een fascinerende symbiose tussen plant en vogel onstaan. Als je het kaartje met het verspreidingsgebied van white bark pine en clark’s nutcraker over elkaar legt overlappen deze volledig. Daar waar wij white bark pine hebben gezien was de clark’s nutcraker ook steeds aanwezig. Deze vogel hamstert zaden voor in de winter en zorgt zo voor de verspreiding van deze dennenzaden die geen vleugeltje hebben daar zij gewoon te dik zijn.
Gekende tuinheesters die we hier aan treffen zijn Elaeagnus commutata en Potentilla fruticosa.Ook het miniheestertje Linnaea borealis zien we hier een eerste keer in bloem staan samen met Cornus canadensis. We treffen ook Cornus stolonifera aan die zal blijven voorkomen tot aan de oceaan.

De Rockys liggen ca 800 km van de pacific Ocean en de meeste regen dient dus van daar te komen. De rockys zijn relatief droog en in de winter extreem koud. In de zomer is het lekker warm met koele nachten. Vanuit Jasper, dat in de provincie Alberta ligt, rijden wij over de Yellowhead Pass British Columbia binnen. Wij verzetten ons klok met een uurtje en slaan onze tenten op nabij het BC provincial park Mount Robson. De hoogste berg van de regio met zijn 3954 meter.

Wij treffen hier minder homogene bossen aan met meer soorten en een veel weelderige ondervegetatie. In het BC provincial park Mount Robson, wandelen we naar Lake Kinney door een fraai bos met twee nieuwe coniferen soorten : Thuya plicata, western redcedar en Tsuga heterophylla, western hemlock. Tijdens de wandeling meten we een western redcedar op met een stamomtrek van 5,55 meter. De struiklaag bestaat ondermeer uit Viburnum edule, Cornus canadensis, Juniperus communis, Ledum groenlandicum, Menziesia ferruginea, Actea rubra, Aruncus dioicus en Oplopanax horridus. De westkant van de Rockys is voor veel van deze soorten de oostelijke rand van hun areaal.

De westkant van deze bergen vangen de laatste regens op. Wij zitten hier in de ‘wet columbia mountains’. Veel vocht dringt ook horizontaal als mist de bossen in. De western redcedar is opvallend spaarzamer vertakt als de planten in onze parken. Zij hebben een mooie, gegroefde, afschilferende, grijze bast.
Ook het BC provincial park Wells Gray, een prachtig, ruig park valt onder het vegetatietype van de ‘wet columbian mountains’. De bossen zijn hier eveneens veel gemengder dan in de rocky’s en western redcedar,western hemlock en white spruce zijn dominant aanwezig in de valleien. We treffen hier echter voor het eerst zeer grote oppervlaktes aan met dode lodgepole pine. Deze worden de laatste jaren massaal aangetast door een kever, mountain pine beetle. Grote vlekken in de bossen kleuren ros. Deze dode bossen zijn een permanente bekommernis voor de lokale brandweer.. De onderbeplanting in de valleibossen is zeer weelderig met vele, eind juli, bes dragende planten. De beren kunnen deze dan ook met grote hoeveelheden verorberen aan een zeer snel tempo. Is dit het nagerecht voor het hoofdgerecht ? 




In augustus komen de zalmen de rivier opgezwommen en kunnen de laatste vetreserves voor de winter verder worden opgebouwd. Beren zijn nu trouwens minder assertief naar mensen toe dan net na de winter wanneer ze uitgehongerd naar voedsel op zoek gaan. Volgende planten hebben reeds mooie besvorming : Amelanchier alnifolia, saskatoon genaamd, Vaccinium ovalifolium, Lonicera involucrata, Ribes lacustre en Rubus parviflorus. Verder groeien ondemeer Acer glabrum, Corylus cornuta, Sambucus racemosa, Mahonia aquifolium, samen met het alom tegenwoordig, grootbladige Oplopanax horridus, devils club.Een besdragende plant die veel weg heeft van Elaeagnos is echter Shepherdia canadensis, soopolallie. Ik vermeld zoveel mogelijk ook de engelse naamgeving daar canadesen veel minder dan ons gebruik maken van de wetenschappelijke naam en ook wel omdat vele namen zo mooi zijn. Soopolallie is toch onvergetelijk als plantennaam. We komen in Wells Gray ook gekende tuinplanten tegen als Spiraea betulifolia, Actea rubra, Veratrum viride, Smilacina racemosa, Tiarella unifolia, Lilium columbianum en Aquilegia formosa.






Bij onze wandeling naar Trophy Mountain in Wells Gray, hoger op tegen de boomgrens aan komen we terug engelmann spruce en subalpine fir tegen en is de ondergroei terug minder gevarieerd. Als we boven de boomgrens zijn wandelen we door een zeer gevarieerde bloemenweide. We genieten ondermeer van Valeriana sitchensis, Mimulus lewisii, diverse lupine en arnica soorten en de lokale schoonheid : commen red paintbrush, Castilleja miniata, met zijn fel rode, grote bloemen. Hoger op, nabij de eerste sneeuw, staan massaal white mountain heather, Cassiope mertensiana en red mountain heather, Phyllodoce empetriformis in bloei. Hier en daar vinden we het fijne Claytonia lanceolata met zijn vijf witte kroonblaadjes en roze helmhokjes. In Wells Gray treffen we spaarzaam ook nog twee nieuwe coniferen aan, namelijk : Pinus monticola, western white pine en Pseudotsuga menziesii ssp glauca, interior douglas fir. De engelse naam zegt het reeds, deze subspecie komt meer inlands voor en verschilt van de klassieke douglas fir door iets blauwere naalden (?) en iets kortere kegels.

Als wij verder westelijk rijden en de wet columbia mountains verlaten treffen wij terug een soortenarmere vegetatie aan de op minder neerslag wijst. Wij zitten hier in de regenschaduw van de volgende bergketen, de coastal mountains. Dit gedeelte van British Columbia met de streek rondom het Okonagan Lake is in de zomer zeer droog en erg toeristisch. Al zijn dit voornamelijk canadesen uit Vancouver die hier op vakantie komen. Dus niet het internationaal soort toeristen van de nationale parken. Dit is trouwens een gekend wijngebied.


Ook rondom Kamploops zien wij een meer steppenachtige vegetatie met zelfs bijna geen bomen. Hier zien wij de meest noordelijke exemplaren van een dennensoort van een meer zuidelijker, droger en warmer biotoop : Pinus ponderosa. In het BC provincial park Manning treffen we ook de meest noordelijke standplaats van Rhododendron macrophyllum aan. Daarnaast ook Spiraea douglasii, Symphoricarpos albus en Lonicera utahensis. Vaccinium parvifolium, red huckleberry en Vaccinium membranaceum, Black huckleberry hebben lekkere bessen.
Wij rijden via de brede Fraser vallei, waar we veelvuldig Acer marcophyllum zien, naar Vancouver. De coniferen zijn stilaan niet meer zo dominant aanwezig en steeds meer loofhoutsoorten verschijnen wanneer we naar het westen rijden en de kust naderen. Ondermeer Alnus rubra, Craetagus douglasii, Acer circinatum en Malus fusca, pacific crab apple.

Vancouver, gesticht in 1792, is reeds verscheidene keren uitgeroepen tot meest aantrekkelijke grootstad ter wereld. Ze heeft inderdaad een schitterende setting met de zee aan de ene kant en de Coastal mountains aan de andere kant. Ik herinner mij voornamelijk de vele sushi bars en de permanente dreiging van dagen en dagen met regen. Deze stad is echt wel een kruispunt met zowel westerse als oosterse invloeden. De volgende grootstad ligt waarschijnlijk ergens in Japan over de Pacific Ocean. De aanplanting van straatbomen kan wel beter. Ze planten er maar een beetje op los. Spijtig genoeg kunnen wij de VanDusen botanical garden niet bezoeken want aan de ingang staat er vier weken lang een stakers post van gemeentepersoneel. De botanische tuin van BC University is wel open. ik heb na al die natuurlijke, overweldigende bossen van het binnenland van British Columbia helemaal geen interesse in exotische beplantingen en nette perken. Wij kijken dan ook voornamelijk naar een nest met balt eagle’s in een van grotere bomen. Misschien wel het mooiste museum in Vancouver is eveneens op de universiteitscampus, waar wij ook logeren, te vinden. Het fraaie antropologisch museum met vele indrukwekkende totempalen . De aziatische toeristen lopen daarna nog even door naar het strand om foto’s te nemen van de naaktbaders. Dit soort toerisme is ook een vorm van antropologie vermoed ik.

Vanuit Vancouver nemen wij, samen met de familie Beyers, waar wij op bezoek zijn, de ferry naar Vancouver Island. Onze groep bestaat nu uit 7 kinderen en 4 volwassenen. Vancouver Island is 500 km lang met diverse biotopen. Eerst bezoeken wij aan de oostkust (inside passage) van het eiland enkele kleinere eilanden. Ook hier zitten wij weer in de regenschaduw van de bergen op Vancouver Island. Vandaar dat deze zijde van het eiland ‘The Sunshine Coast’ wordt genoemd. Ook deze regio is voor vele canadesen een geliefde vakantiebestemming. Op de eilandjes Denmans en Hornby treffen we enkele nieuwe boomsoorten aan die liever iets meer warmte en minder regen verdragen. Vooreerst een eik, de enige soort in deze regio, die wel wat weg heeft van onze eigen zomereik : Quercus garryana,Oregon white pine. Daarnaast ook een boom die tot de verbeelding spreekt door zijn wonderlijke bast : Arbutus menziesii, Pacific madrone.









 In BC provincial park Helliwel Bay, aan de zuidzijde van Hornby Island, treffen we zelf bomen aan van 20 meter hoog. Kleinere bomen kan je ook steeds zien net ten noorden van Vancouver city in Lighthouse Park.
We zien hier ook nog Juniperus scopulorum en Acer circinatum. Maar de mooiste struik is een plant met tevens een mooie naam : oceanspray of Holodiscus discolor. Meer in het binnenland hadden deze soort ook al tegen gekomen maar hier staat ze nu, begin augustus nog in bloei. Daarnaast ook, Physocarpus capitatus, Mahonia nervosa en ook nog steeds Acer glabrum. Cornus nuttalii zou hier ook moeten staan, maar we vinden hem ook hier weer niet.
Als we het binnenland inrijden passeren we via Cathedral Grove, op de weg van Albarni naar het Pacific Rim National Park. Hier staan impossante Pseudotsuga menziesii ssp. menziesii. Deze bomen zijn tot 2 meter dik, 70 meter hoog en 1000 jaar oud. Alles overgroeit met een dikke laag mos en vele, verschillende soorten varens als bodemvegetatie.

Wij gaan ook een dag wandelen in de bergen het binnenland van Vancouver Island. In de regenwolken die je reeds vanaf de Sunshine Coast over de bergen van Vancouver Island hebben zien hangen. We trekken naar het forbiden plateau opzij van Mount Washington BC. Het Forbiden pateau maakt deel uit van het BC provincial park Strathcona dat 250.000 Ha groot is met vele bergen tussen de 1500m en 2200 meter hoog. De overgang in vegetatie is spectaculair. Tussen de hagelbuien door treffen we we echt dikke bomen aan van Tsuga mertensiana, mountain hemlock. Daarnaast ook een boom die ik tot de dag daarvoor steeds verfoeide maar er hier prachtig bijstaat : Chamaecyparis nootkatensis, yellow cedar. Deze soort wordt hier tot 20 meter hoog en heeft een prachtig gedraaide stam met en fraai afschilferende bast. Deze bomen zijn spaarzaam vertakt vanaf halverwege de stam.
Hier en daar staat er in deze bossen ook een Abies amabilis.
In de heesterlaag treffen we nog een rhododendron met witte bloemen aan : Rhododendron albiflorum. Ook Sorbus sitchensis heeft nog witte bloemtrossen.
In de kruidlaag zie we ondermeer de tuinplanten Sanguisorba officinalis en Sanguisorba canadensis staan. Misschien moet je deze bossen wel in de regen ervaren, want deze maakt er ontegensprekelijk deel van uit.

Maar na 6 uur wandelen waarbij de wandelpaden meer op beekjes lijken, zijn we toch met zijn allen blij om terug aan de wagen droge kleren te kunnen aantrekken. Het is echter een onvergetelijke wandeling en ook hier weer staan er veel meer plantensoorten dan besproken.
Het laatste vegetatietype is het gematigd regenwoud aan de pacific ocean. We bezoeken het overbevolkte Pacific Rim national park. Bijna alle bomen hangen vol met dikke lagen mos. De dominante, laatste nieuwe coniferen soort, is Picea sitchensis. Deze vormt bossen tot vlak tegen de waterlijn met bomen van 40 meter hoog en meer dan 1 meter dik stammen. Ook Thuya plicata en Tsuga heterophylla groeien hier eveneens tot tegen de waterlijn aan. Als ondervegetatie treffen we hier een rubus soort aan met prachtige oranje bessen : Rubus spectabilis.







De laatste plant die ik wil bespreken is er een die we overal in de kuststreek van British Columbia zijn tegen gekomen : Gaultheria shallon. Deze struik wordt hier tot 3 meter hoog en staat begin augustus nog in bloei terwijl hij ook reeds vol met heerlijke bessen hangt. Waar wij deze tegenkwamen, hebben wij ons als beren tegoed gedaan aan deze heerlijke bessen. De lokale naam is salal. Dit is voorzeker de naam die de ‘first nation’ bevolking aan hem hebben geven. In Canada mag je deze bevolking liever niet met de naam ‘indian’ aanspreken daar dit een scheldwoord is geworden. British Columbia is een olympisch plantengebied waar wij nog maar een fraktie van heb kunnen verkennen. Deze provincie is echter zo groot als Frankrijk en Duitsland samen. Het noorden wordt echter terug soortenarmer. De verdere plantenrijkdom ligt meer zuidelijk in de verenigde staten.