PALIURUS - Arboretum Haerle-Bonn, Rombergpark-Dortmund, 2002
Soms zijn er planten die blijkbaar ineens uit het niets op de voorgrond treden, ook al zijn deze planten reeds lang ik cultuur of groeien ze niet zo extreem ver weg. Op de bijeenkomst van de Belgische Dendrologen op zondag 17 november 2002 liet onze voorzitter dia’s zien van zijn reis naar Georgie. Een van de planten die we te zien kregen was Paliurus spina-christi. Enkele weken daar voor had ik toevallig van deze struik nog zaden geoogst samen met enkele vrienden in het sfeervolle arboretum Haerle te Bonn, Duitsland. Een dag later hebben wij toen de Botanischer Garten Rombergpark te Dortmund bezocht en daar stoten we toen op een Pterocarya paliurus en dan is natuurlijk de interesse gewekt, wat is het verband tussen beide en wat wil het woord paliurus eigenlijk zeggen. Alle boeken erbij en een beetje overwippen van boek naar boek en men weet weer iets meer over enkele planten die voor je vroeger misschien voorbij wandelde maar die nu voor altijd een verhaal hebben. Dit verhaal, aan de hand van meerder literatuurbronnen, wil ik hier dan ook kort even schetsen.

De genus naam Paliurus is de latijnse transcriptie van het oude grieks : paliouros. Dit woord dient verder te worden opengetrokken tot palein en ouron. Palein betekent drijven en ouron urine. Misschien was Paliurus in de oudheid een urine afdrijvend middel. De soortnaam spina-christi moet eveneens worden opengetrokken. Spina is latijn voor doorn, cristi betekent Christus, samengevoegd komen we dan tot Christusdoorn of de kroon door christus gedragen. In het frans is zijn naam Epine de Christ. De twijgen van Paliurus spina-cristi zijn gedoornd en de overleving wil dat Christus zijn doornenkroon van deze struik was gemaakt, wat best mogelijk is daar Paliurus spina-christi van nature voorkomt in het gehele middellandse zeebekken.
Hij wordt van nature een struik tot 6 meter hoog met twijgen die vol doornen staan. De bladeren zijn donkergroen, eirond tot 5 cm lang met vrij donkergroen loof. De bloemen zijn groen geel en niet echt spectaculair. Wat wel heel opvallend is zijn de ronde schijfvormige vruchten die in trosjes aan de kale wintertakken hangen. De vruchten zijn een soort nootachtige kern van ca 1 cm dikte met een schijfvormige ronde vleugel van ca 3 cm doormeter.
Paliurus waar er 8 soorten van voorkomen is voornamelijk meer oostelijk tot in Japan verspreid. Paliurus spina-cristi is bij ons vermoedelijk vorstgevoelig en ik vermoed dat dit de rede is waarom hij in Belgie in weinig collecties is vertegenwoordigd. Hoe komt het dan dat hij toch in Duitsland voorkomt waar wij een meer continentaal klimaat met koude winters verwachten dan bij ons. Bonn is gelegen langsheen de Rijn die een milderende invloed heeft. Slechts 60 km meer stroomopwaarts treft men trouwens de eerste wijngaarden aan. In Duitsland wil een wijngebied klimatologisch zeggen, een regio met een milder winterklimaat en meestal ook vrij droge zomers. Paliurus hoort thuis in de familie Rhamnaceae en vroegere namen waren Rhamnus paliurus, Zizyphus paliurus, Paliurus aculeatus en Rhamnus aculeatus. De zaden zouden na een stratificatie gemakkelijk kiemen volgens Michiel breisvogt, de conservator van het arboretum Haerle.
Toen wij in het Rombergpark van Dortmund rondwandelde hebben we een Pterocarya paliurus gezien die net een hele grote Paliurus spina-cristi leek met doornloze takken. De zaden hingen niet zoals de struik in Bonn in losse trossen maar aan de klassieke 25 cm lange strengen van het genus Pterocarya.

Vroeger was deze boom in een eigen genus ingedeeld, namelijk Cyclocarya paliurus. Dit kunnen we verklaren door het woord Pterocarya te ontleden en dan naar de zaden van Pterocarya paliurus te kijken. Pterocarya bestaat uit de twee Griekse woorden pteron wat vleugel betekent en karpos wat vrucht betekent : boom met gevleugelde vruchten. Als we de vrucht van Pterocarya fraxinifolia bekijken, ons aller beter bekent, is dit inderdaad een vrucht met twee vleugels. Ook alle andere Pterocarya soorten hebben in verschillende vormen steeds een nootachtige vrucht met tot vleugels vergroeide schutblaadjes. Alleen bij Pterocarya paliurus is dit afwijkend, deze vrucht is opgebouwd zoals de vrucht van Paliurus spina-cristi.
Dus niet met twee vleugels maar een vleugelachtig vergroeiing die een cirkelvormige discus vormt rondom de vrucht. Vandaar de vroegere genusnaam Cylcocarya. Pterocarya is in 1888 door Henry in bergen van midden China gevonden. Wilson heeft in 1901 zaad verzonden naar de Veitch kwekerij te Londen.
In Duitsland zouden er een drietal bomen van deze soort staan. Het exemplaar te Dortmund is aangeplant door Gerd Krüssmann die directeur was van dit park.

Gerd Krüssmann
Het is ook een beetje omwille van deze Gerd Krüssmann dat ik het Rombergpark eens wenste te bezoeken. Het is en blijft een naam die ook binnen de vereniging dikwijls weer keert. Hoe dikwijls wordt er tijdens een uitstap van de verenging bij een vraag over een boom of struik niet gezegd : ik ga dat vanavond eens nakijken in mijn Hillier, of Bean, of Krüssmann. Als dendrologen het over hun Krüssmann hebben dan bedoelen we ‘Handbuch der Laubgehölz’ (1976-Parey Verlag) of de Engelse vertaling uitgegeven door Timber Press : Manual of cultivated broad-leaved trees and shrubs (1984). Beide werken zijn echter niet meer zo eenvoudig te vinden daar er nu blijkbaar geen extra drukken meer verschijnen. Voor dendrologen is dit standaardwerk meestal het enige dat van Gerd Krüssmann gekend is.

Gerd Krüssmann was echter een zeer actieve persoon die in heel wat meer publicaties op zijn naam heeft staan. Hier komen we trouwens de essentie van Gerd Krüsmann zijn professionele loopbaan tegen : leren en doorgeven. Hij startte in de dertiger jaren van de vorige eeuw in de tuinaanleg en boomkwekerij en wisselt geregeld van werk daar hij iedere keer opnieuw van alles wenste te leren. Alles wat hij leerde noteerde hij ijverig in notaboekjes en dit zal de basis vormen van zijn persoonlijk, zeer omvangrijk archief. Dit alles monde in 1935 uit in een eerste boek bij Parey Verlag : Die vermehrung der Gehölze. Na de oorlog was het in Duitsland niet eenvoudig om aan dendrologie te doen daar er het land behoefte had aan andere noden. in 1949 start hij echter met het tijdschrift ‘Deutsche Baumschule’ dat hij naar zo veel mogelijk buitenlandse uitgevers van tijdschriften en verenigingen stuurt zodat hij ook hun publicaties toe gezonden krijgt. Dit vormt de tweede belangrijke bron voor zijn archief. Gerd Krüssmaan is tijdens de tweede wereldoorlog ondermeer als officier actief aan het Sovjet-front en al doende leert hij de Russische taal. Ook dit is na de oorlog een belangrijk informatie kanaal waar maar weinig mensen over kunnen beschikken. In zijn standaard werk, Die Baumschule uit 1949 staat in zijn voorwoord : ‘Viele bekannte duetsche und ausländische Fachleute heben mir bereitwillig auch dieses mal wieder zahlreiche anregungen über ihre besonderen Gebiete gegeben. Allen diesen Herren zu danken, ist mi reine angenehme Pflicht. So möge das neue Werk dazu beitragen, alte Erfahrungen der Vergessenheit zu entreiben, neue Erkenntnisse zu vermitteln und neue Zile zu weisen. Dit boek en deze tekst komen geen vijf jaar na het einde van de tweede wereldoorlog tot stand.
Hij is er trouwens bij als op een studiereis naar Belgie in mei 1952 te Kalmthout, met ondermeer de Familie De Belder en Jacques Lombarts (Nederland), de ‘International Dendrological Union’, later IDS gesticht wordt. Tot 1971 blijft Gerd Krüssmann hoofdredacteur van Deutsche Baumschule. Een boek dat ook van de zijn hand is en dat nog wel wordt uitgegeven, in 1997 in 6 editie (Parey Verlag) is ‘Die Baumschule’. In dit werk is zijn eerste boek uit 1935 verwerkt. En is daarom dat ook dit boek voor dendrologen zo intressant is daar men hier zeer degelijke beschrijvingen vindt hoe men alle mogelijke planten kan vermeerderen.

In 1950 wordt Gerd Krüssmann gevraagd om hoofd te worden van de Botanischer Garten Rombergpark te Dortmund. Hier begint voor hem een periode waar hij al zijn opgeslagen kennis, in notaboekjes, ten uitvoer kan brengen. Hij bouwt het Rombergpark verder uit met vele botanische collecties, ondermeer met sierappels en kerselaars. Het park is dan ook meer dan een wetenschappelijke collectie. In het weekend is het een geliefd wandelpark voor vele inwoners van de stad. Ook in het nabij gelegen Westfalenpark legt Gerd Krüssmann een zeer mooi en populair ‘National Rosarium’ voor de Dortmunder aan. Hij blijft verantwoordelijk voor deze parken tot 1975 wanneer hij met rust gaat. Al betekent rust bij Gerd Krüssmann, meer tijd voor onderzoek en het bekend maken voor iedereen van deze kennis via publicaties. Op 5 mei 1980 overlijdt Gerd Krüssmann tijdens de voorbereiding van de tweede editie van ‘Manuel of Cultivated Conifers.

Hoe sterk Gerd Krüssmann ook was in het doorgeven van kennis, hij heeft tijdens zijn periode dat hij hoofd was van het Rombergpark zeer weinig van de door hem uit geplante bomen van naamboordjes voorzien. De huidige beheerders van deze vermaarde collecties doen nu nog steeds opzoekingswerk en ontdekkingen. Zo heeft de Pterocarya paliurus jaren in het park gestaan zonder dat iemand hem wist staan. Zelfs na vragen vanuit andere tuinen vertelde men iedere keer dat deze boom verloren moest zijn gegaan. Hij heeft zijn geheim pas voor enkele jaren prijs gegeven toen hij zaden is beginnen geven en men hem aan dit soort specifiek kenmerk terug op naam heeft kunnen brengen.